Aanbod

 

LOGOBLOK_blauw

Bij articulatieproblemen gaat het over stoornissen waarbij spraakklanken niet of verkeerd uitgesproken worden. Het kan dus zowel om een weglating, vervanging of vervorming gaan. De ene heeft bijvoorbeeld moeite met de /s/: dat noemen we dan wel eens “lispelen” of “slissen”. De andere maakt van een /t/ een /k/: “bot” wordt dan “bok”, enz. Soms komt een meervoudige articulatiestoornis voor. Daarbij worden meerdere klanken weggelaten, vervangen of vervormd. Ook bij beroepssprekers en studenten kan aan articulatie en streektaal gewerkt worden i.f.v. hun (toekomstige) beroep.

Afwijkende mondgewoonten hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van gebits- en kaakstructuren. Het gaat dan o.a. over duimzuigen, habitueel mondademen, afwijkende tongplaatsing in rust en afwijkend slikgedrag. Hierdoor kan de articulatie verstoord worden. Vaak blijkt hierbij orthodontie nodig, maar een orthodontische aanpassing heeft pas echt nut wanneer ook aan het afwijkend mondgedrag gewerkt wordt. Een goede samenwerking is dan ook erg belangrijk.

LOGOBLOK_geel

De taalontwikkeling verloopt volgens een bepaald patroon. Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop. De taalontwikkelingsstoornis kan zich zowel in de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen en vervoegingen en de zinsbouw), de taalinhoud (woordenschat) als in het taalgebruik uitten. Wanneer er geen specifieke oorzaak is voor de taalontwikkelingsstoornis spreken we van een primaire taalontwikkelingsstoornis. Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge een verstandelijke handicap, een gehoorstoornis of een psychische stoornis, dan spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis. Bij een taalontwikkelingsstoornis kunnen er zowel problemen voordoen in het begrijpen als in het spreken. Een meertalige opvoeding leidt niet automatisch tot een taalstoornis. Wanneer een meertalig kind een taalontwikkelingsstoornis heeft, zal deze zich wel uitten in de verschillende talen.

LOGOBLOK_rood

Stotteren

Ongeveer 3% van de kinderen die geboren worden hebben een aanleg om te stotteren. Bij 1 a 2% daarvan blijft het stotteren aanwezig. Stotteren ontstaat meestal op een leeftijd van 2;05 jaar, maar kan zich ook pas later manifesteren (<9jaar). De stottermomenten kunnen wisselvallig voorkomen. Afhankelijk van de situatie of emotie kan uw kind veel of weinig stottermomenten vertonen. Dit kan met verschillende factoren te maken hebben.

Stotteren identificeert zich van normale onvloeiendheden door herhalingen , verlengingen en blokkeringen die ongewild en met veel spanning verlopen.

LOGOBLOK_groen

Lees- en spellingstoornissen (dyslexie/dysorthografie) zijn stoornissen die gekenmerkt worden door een hardnekkig probleem met het aanleren en/of vlot toepassen van lezen en/of spellen. Deze kinderen maken meestal minder snel vorderingen bij het leren lezen en spellen. Ze maken dezelfde fouten als klasgenootjes maar maken er doorgaans veel meer. Het is voor kinderen met leesproblemen vaak moeilijk om los te komen van het hakken en plakken en te komen tot vloeiend lezen. Kinderen met spellingproblemen hebben op hun beurt moeite met het toekennen van de juiste letters aan de juiste klanken en/of het correct toepassen van spellingsregels. Lezen en schrijven worden dus moeilijker een automatisme. Bovendien komen lees- en spellingproblemen vaak samen voor. Moeilijkheden met de schrijfmotorische vaardigheden (dysgrafie) behoren niet tot het domein van de logopedie.
Bij rekenstoornissen (dyscalculie) is er sprake van moeilijkheden bij specifieke rekenvaardigheden. Dyscalculie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en vlot/accuraat oproepen of toepassen van reken- en wiskundevaardigheden. Kinderen met rekenproblemen hebben blijvende moeilijkheden met hoofdrekenen, vraagstukken, kloklezen, rekentaal, memoriseren van de tafels, meetkunde,… Zij maken veel rekenfouten en werken trager. Rekenstrategieën worden moeilijker een automatisme.

Top